Wat autisme (niet) is

Ondanks je meer dan 1000 hits te zien krijgt bij de grote concurrent van de ‘ouderwetse’ boekhandel, is autisme nog steeds een complexe raadselachtige aandoening die nog wel eens omkleed is met een lading onzin. In dit blog wil ik de meest gangbare visie over autisme uit de doeken doen, maar evengoed een aantal kanttekeningen erbij plaatsen.

DE UITLEG VAN DE DSM

In DSM-4 werd autisme omschreven als een ontwikkelingsstoornis die optreedt bij kinderen en die een belemmering vormen voor de normale ontwikkeling. In de DSM 5 valt autisme onder de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen. Neurobiologisch wil zeggen: alles wat met de ontwikkeling en de werking van het zenuwstelsel te maken heeft. Het zenuwstelsel geeft prikkels door aan de hersenen. De hersenen zetten die prikkels om in informatie en zorgt ervoor dat het lichaam reageert op die informatie. Dit proces verloopt bij mensen met autisme anders.

In DSM 5 wordt er geen verschil gemaakt tussen bijvoorbeeld Asperger en Klassiek  Autisme. Alle stoornissen worden nu ASS (Autisme Spectrum Stoornis) genoemd. Daarbinnen is er een onderverdeling gemaakt op zelfredzaamheid. Om de diagnose te krijgen moeten er problemen zijn met sociale communicatie en sprake zijn van beperkte interesses en repetitief gedrag.

OORZAAK VAN AUTISME

Er is inmiddels veel onderzoek naar autisme gedaan maar vooralsnog weet men nog niet, wàt de oorzaak van autisme is, maar wel dat in negen van tien gevallen er sprake is van aangeboren erfelijke factoren. Er is niet één enkel gen verantwoordelijk voor ASS, maar een combinatie van meerdere genetische veranderingen, onder invloed van omgevingsfactoren. Onderzoekers vermoeden dat door deze combinatie de ontwikkeling van de hersenen anders verloopt, waardoor de beperkingen bij mensen met ASS optreden.

Een mogelijke oorzaak is dat tijdens de zwangerschap er teveel testosteron wordt aangemaakt waardoor de hersenen zich asychroon ontwikkelen. De rechterhersenhelft ontwikkeld zich beter dan de linkerhersenhelft. De verbindingen van de rechterhersenhelft werken beter en de verbinding tussen de hersenhelften lijken bij mensen met autisme minder goed te werken. Dit schijnt ook het geval te zijn bij mensen met bijvoorbeeld dyslexie, dyscalculie, dysorthografie, dysfasie, ADHD en mensen die hoogbegaafd zijn. Mensen die talenten hebben die te maken hebben met de rechterhersenhelft worden regelmatig ‘beelddenkers’ genoemd. 

  • LINKER-HERSENHELFT> Analytisch en logisch denken, ordenen, structuur aanbrengen, categoriseren, plannen, spraak, spelling, woord- en nummerherkenning. Mensen met een goed ontwikkelde linker-hersenhelft zijn meestal beter in het analyseren en verwerken van informatie, kunnen sneller vragen beantwoorden, denken verbaal, hebben betere expressieve taalvermogens, een lineaire benadering, zijn symbolisch, tijdgebonden, ordelijk, overzichtelijk, kunnen zich goed aan schema’s houden en hebben weinig problemen met het afmaken van hun werk/taak.
  • RECHTER-HERSENHELFT> De rechterhersenhelft richt zich vooral op zaken als intuïtie, gevoeligheid, dagdromen, spontaniteit, humor, emoties, ontdekken, experimenteren, inventief zijn, muzikale expressie, leren door ervaringen, holisme (zaken als geheel zien) en creativiteit. Mensen met een sterk ontwikkelde rechterhersenhelft zijn meestal beter in visualiseren, concretiseren, gebeurtenissen onthouden, verbanden leggen, processen doorzien, hebben een grotere fantasie, zijn innovatief, herkennen patronen sneller en hebben een groter functioneel en ruimtelijk inzicht.

Bij de geboorte is de rechterhersenhelft bij alle kinderen dominant, maar bij kinderen met autisme is deze zo sterk dat ze moeite hebben met spelletjes die volwassenen doen met baby’s om de linkerhersenhelft te stimuleren. Iets waardoor een asynchrone ontwikkeling ontstaat, die niet meer recht te trekken is. Wel schijnen de hersenen van autisten zich altijd te blijven ontwikkelen. Ook hier wordt nog volop onderzoek naar gedaan.

Omdat ieder mens uniek is, ervaart ieder mens met een (zeer) sterke rechter-hersenhelft weer andere pluspunten maar ook problemen. Soms uit dat zich in het gegeven dat mensen meerdere stoornissen of aandoeningen hebben. Dit wordt comorbiditeit genoemd.

KENMERKEN VAN AUTISME

Er zijn lijsten met kenmerken maar in basis kenmerkt autisme zich door problemen op het gebied van:

  • Sociale interactie
  • Communicatie
  • Soepel denken en doen
  • Motoriek
  • Verbeelding/fantasie
  • Zintuigen (prikkelverwerking)

De nadruk wordt gelegd op de problemen met het verwerken van informatie, omdat dit van invloed is op bovengenoemde punten. Om informatie goed te kunnen verwerken en in de maatschappij te kunnen functioneren, heb je nodig:

  • ToM (Theory of Mind) – Het idee van mensen over hoe anderen denken en voelen oftewel het zich kunnen verplaatsen in gedachten en gevoelens van een ander. 
  • CC (Centrale Coherentie) – Waarneming van de omgeving als geheel waarbij autisten de omgeving in losse delen waarnemen en het geheel niet goed overzien.
  • EF (Executieve Functies) – De ‘regelfuncties’ van de hersenen. Deze lijken minder goed te werken bij autisten.
  • SI (Sensorische Integratie) – Het registreren, verwerken en reageren op prikkels. Dit levert vaak problemen op bij autisten.

Treden hier verstoringen op, dan kan dit problematisch gedrag veroorzaken, dat zich kan uiten in externaliserend en/of internaliserend gedrag.

  • Externaliserend gedrag: bij externaliserende gedragsproblemen is er te weinig controle over de emoties en worden deze uitgeageerd. Mensen met externaliserende problemen hebben vaak conflicten met andere mensen of met de maatschappij. Typische externaliserende problemen zijn agressie, overactief gedrag en ongehoorzaamheid.
  • Internaliserend gedrag: bij internaliserende gedragsproblemen is er een overcontrole over de emoties; ze worden naar binnen gericht en leiden tot innerlijke onrust. Typische internaliserende problemen zijn sociale teruggetrokkenheid, angst, depressie en psychosomatische klachten. 

(DOEI) STIGMA

Wat opvalt aan alle informatie over autisme, is dat het veelal gaat over de problemen en de behandelingen rondom autisme. En dat kan een negatieve uitwerking hebben op zowel mensen met als zonder autisme want hierdoor lijkt de diagnose ‘autisme’ nog net geen doodvonnis te zijn. Dat het iets is, dat niet goed is en verholpen moet worden. En het nadeel van opsommingen met gedragskenmerken, is dat veel mensen vergeten dat ieder mens uniek is. En dat (hoog)begaafde mensen met autisme allerlei trucs hebben, waardoor het autisme (bijna) onzichtbaar is. Ik ben van mening dat er een genuanceerde kijk op autisme moet komen, die recht doet aan het anders zijn van mensen met autisme en waarbij noch de minpunten, noch de pluspunten onder het vloerkleed worden geschoven. Autisme van jezelf, kind, geliefde, ouder et cetera erkennen kan via verschillende wegen (contact met andere mensen met autisme, literatuur en begeleiding) kan leiden naar inzicht, acceptatie en een fijn leven. 

ANDERS KIJKEN NAAR AUTISME

Bij autisme verloopt het proces voor het verwerken van prikkels anders. Als je daarbij uitgaat van een sterk rechter ontwikkelde hersenhelft en een zwakke linker (en alle aannames overboord gooit), krijg je een ander beeld van autisme.

Men heeft nog wel eens het idee dat mensen met autisme nogal ongevoelig zijn en het wordt steeds duidelijker dat dit de grootst mogelijke onzin is. Mensen met autisme zijn juist boven gemiddeld gevoelig (rechterhersenhelft is gericht op gevoel) en emoties (zetelt in linkerhersenhelft), maar hebben moeite met het uitdrukken van gevoelens in taal. Hoewel men inmiddels vraagtekens stelt over de theorie van de hersenhelften, ben ik er van overtuigd dat mensen met autisme moeite hebben om gevoelens van zichzelf en de ander, te vertalen in woorden. En dat derhalve de theory of mind, net zoals de theorie over centrale coherentie, op een onjuiste manier wordt benaderd.

HOLISTISCH

Wanneer je kijkt vanuit de asynchrone ontwikkeling, zie je dat mensen waarvan de rechterhersenhelft sterker ontwikkeld is, de wereld om hen heen vaak als geheel zien: holistisch. Dat heeft absoluut z’n positieve kanten maar er kleeft ook iets negatiefs aan. Als je alles in één keer ziet, maar het minder goed kan ordenen en categoriseren (want daar is ‘links’ weer beter in) kun je problemen krijgen met de informatieverwerking. Je kunt overspoeld raken. Dat betekent meestal ook dat het moeilijk is om hoofd- van bijzaken te onderscheiden. Details zijn dus even belangrijk als het geheel, maar het geheel is moeilijk in een keer te bevatten. Je richten op details, de omgeving in delen waarnemen, kan dan het gevolg zijn. Dat scheelt chaos in je brein. En regels en duidelijkheid kan ervoor zorgen dat er enig inzicht ontstaat in die brij van informatie. Daarnaast is wegduiken in je eigen wereld, een manier om de informatie overload te ontduiken. ‘’Normale” mensen hebben een filter voor het schiften voor prikkels, maar die werkt bij mensen met autisme niet of minder goed. Daardoor kan er teveel informatie tegelijk binnenkomen maar ook het tegenovergestelde kan gebeuren. Prikkels kunnen ook nauwelijks of niet door komen als het hoofd al vol zit met andere informatie. Dit alles staat haaks op de theorie dat mensen met autisme moeite hebben met centrale coherentie. Iemand met autisme neemt juist alles waar, maar doordat het te overweldigend is, richt men zich op een deel ervan.

Het lijkt mij logisch dat als je zo anders in de wereld staat je allerlei problemen kunt ontwikkelen. En dat deze toenemen wanneer je als mens in een fase van je leven zit waarin veel verandert en/of ander gedrag van je wordt gevraagd. Je ziet nog wel eens dat kinderen die ogenschijnlijk normaal functioneren, in hun puberteit zo overdonderd worden door de prikkels die ze door alle veranderingen te verwerken krijgen, externaliserend of internaliserend gedrag gaan vertonen.

ONTWIKKELING

Autisme is een pervasieve ontwikkelingsstoornis. De ontwikkelingsgebieden die met autisme te maken hebben, ontwikkelen zich tegelijkertijd en zijn van invloed op elkaar. Wanneer er moeite is binnen een bepaald gebied, is dat van invloed op andere ontwikkelingsgebieden. Wanneer er een scheefgroei is in ontwikkeling, waarbij het ene gebied zich sneller of langzamer ontwikkeld t.o.v. het andere, kun je dat op alle gebieden merken.

MOTORISCHE ONTWIKKELING 

De motoriek, het bewegen van het lichaam, wordt aangestuurd door de hersenen. Daarbij wordt gezegd dat er verschillende dingen moeten gebeuren, namelijk:

  • Het vormen van een idee. Dus het vermogen hebben om een mentaal plaatje te creëren van het doel wat je wilt behalen en welke stappen er nodig zijn om dat doel te bereiken.
  • Het plannen van de actie. Het vermogen om de verschillende stappen/bewegingen te plannen en te organiseren (welke volgorde van bewegingen er moet zijn), zodat het doel behaald kan worden.
  • Het coördineren van de actie, zodat het individu de benodigde bewegingen in de juiste volgorde met precisie kan uitvoeren.
  • Het herkennen of het doel behaald is en wat de gevolgen daarvan zijn. Hoe is het gegaan?

Bij de motorische ontwikkeling kunnen autisten dus last hebben van verschillende dingen. Allereerst speelt de sensorische informatieverwerking een grote rol. Het doorgeven, ontvangen en verwerken van informatie levert meestal in meerdere of mindere mate problemen op, waardoor men hypo- of hypersensitief is. Daarnaast is het automatiseren van handelingen door autisten vaak moeilijk, waardoor autisten meer inspanning en concentratie moeten leveren bij het sporten/bewegen. Hoewel het mogelijk is dat er moeilijkheden zijn met de grove motoriek of de fijne motoriek, is er vaak sprake van moeilijkheden met beiden. En dan kan hypermobiliteit ook nog een rol spelen, wat invloed heeft op de spieren en gewrichten en de informatieverwerking van de propriocepsis (houding). De propriocepsis, alsmede sterke gevoelens van bijvoorbeeld angst of stress, kunnen van invloed zijn op de spierspanning, die sommige autisten niet goed kunnen sturen waardoor er een te hoge of te lage spierspanning ontstaat.

COGNITIEVE ONTWIKKELING

Wanneer de motorische ontwikkeling niet goed verloopt, is dat van invloed op de cognitieve ontwikkeling. De cognitieve ontwikkeling staat voor het ontwikkelen van het zich eigen maken van kennis en informatie door het te ontvangen, te verwerken, op te slaan en om het vervolgens weer uit het geheugen op te kunnen diepen en toe te passen. De cognitie, oftewel de mentale processen van het waarnemen, herinneren, denken, redeneren en begrijpen, moeten kunnen worden toegepast om effectief te zijn. Omdat dit hele proces van binnen zit en niet gezien kan worden, speelt het uiten via taal hier een grote rol bij. Je hoort wat iemand begrijpt/weet door de manier waarop hij erover praat. De spraak/taalontwikkeling staat dus in directe relatie tot de cognitieve ontwikkeling en wordt daarom vaak als onderdeel van de cognitieve ontwikkeling beschouwd.

Omdat het zo’n complex proces is, kan er heel wat misgaan. Allereerst moet er worden waargenomen. Om te kunnen waarnemen moet je je aandacht ergens op kunnen richten en vasthouden (concentratie). Waarnemen gebeurt wanneer informatie via de zintuigen doorgegeven wordt aan de hersenen en de hersenen er betekenis aan geven, zodat we ons bewust worden van de informatie die overgebracht wordt. Waarnemen, aandacht en sensorische informatie hangen dus nauw met elkaar samen. Wanneer er moeite is met sensorische informatieverwerking of wanneer er moeite is met het opbrengen van aandacht, wordt de waarneming gehinderd en daarmee het begin van het proces van het ontwikkelen van de cognitie. Wanneer het wel lukt om informatie waar te nemen en te verwerken, moet het vervolgens worden opgeslagen in het geheugen, zodat het later weer tevoorschijn kan worden gehaald wanneer dat nodig is. In de psychologie gaat men ervan uit dat er 3 stadia van geheugen zijn, namelijk het sensorische geheugen, het werkgeheugen (of korte termijngeheugen) en het lange termijngeheugen.

  • Het sensorische geheugen is de informatie die je zintuigen doorgeven. Dit geheugen kan 12 – 16 dingen tegelijkertijd onthouden, maar doordat het je maar vluchtig bijblijft, kun je het je moeilijk herinneren. Het wordt net lang genoeg vastgehouden om te beslissen of iets bewust waargenomen moet worden of niet. Dit betekent dus dat het sensorische geheugen de sensorische informatie net lang genoeg vasthoudt om deze informatie te kunnen sorteren op belangrijkheid. De belangrijke prikkels worden doorgegeven aan het werkgeheugen (of korte termijngeheugen) zodat ze langer bewaard (onthouden) kunnen worden en de andere prikkels worden vergeten. Wanneer dit proces niet goed werkt, komen alle prikkels dus even hard (of zacht) binnen en heb je problemen met de sensorische informatieverwerking.
  • Het werkgeheugen of korte termijngeheugen krijgt, in principe, alleen de belangrijke prikkels door. Dit geheugen kan veel minder dingen tegelijk onthouden dan het sensorische geheugen, namelijk maar zo’n 7 dingen. Wanneer het korte termijngeheugen vol zit en er komt nog iets bij, wordt er weer een deel van de al vastgehouden informatie vergeten. Het werkgeheugen kan informatie langer onthouden dan het sensorische geheugen, hoewel korter dan het lange termijngeheugen. Lang genoeg om informatie te kunnen coderen en te archiveren in het lange termijngeheugen. Door het leggen van verbanden is informatie makkelijker op te halen. Wanneer je moeite hebt informatie tijdelijk vast te houden in het werkgeheugen of wanneer je teveel prikkels binnenkrijgt, zodat andere (belangrijke) informatie verdwijnt, kan het belemmeringen opleveren bij het vasthouden van aandacht, het leren en de algehele cognitieve ontwikkeling. Aan de andere kant zou het ook mogelijk kunnen zijn dat je daardoor sneller verbanden leert leggen en informatie op leert slaan in het langetermijngeheugen. Dit zou dan een positieve invloed kunnen hebben op de algehele cognitieve ontwikkeling.
  • Het langetermijngeheugen is het geheugen met de grootste capaciteit. Men gaat ervan uit dat het onbeperkt informatie op kan slaan voor onbeperkte tijd. Wanneer je iets vergeten bent, is dat niet omdat het uit het geheugen is verdwenen, maar omdat het te weinig associaties (verbindingen) heeft met andere informatie. Het langetermijngeheugen is in feite een enorm netwerk met verbindingen tussen stukjes informatie. Het langetermijngeheugen wordt opgedeeld in het procedureel geheugen en het declaratief geheugen (ook wel hippocampus genaamd). In het procedureel geheugen worden aangeleerde vaardigheden opgeslagen. Hierdoor kun je handelingen uitvoeren zonder er teveel bij na te hoeven denken, zoals lopen of typen. Het declaratief geheugen is daarentegen het geheugen waarbij je wel bewust moet nadenken. Dit declaratieve (bewuste) geheugen wordt op zijn beurt weer in tweeën gedeeld, namelijk in het episodische geheugen en het semantische geheugen. Het episodische geheugen stelt je in staat persoonlijke informatie te herinneren, zoals wat, waar en wanneer een gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Het semantische geheugen onthoudt meer algemene informatie.

Na het waarnemen en het herinneren (geheugen) zijn het denken, redeneren en begrijpen belangrijk voor de cognitie. Denken betekent het zich vormen van een beeld, idee of herinnering. Bij redeneren wordt bepaalde kennis met elkaar vergeleken, samengevoegd of juist van elkaar gescheiden en gesorteerd. En begrijpen kun je omschrijven als: hoe dingen in elkaar steken, het kunnen bevatten van wat je weet of het mentaal (re)organiseren van informatie.

Bij de cognitieve ontwikkeling kan er dus heel wat mis gaan, vooral met de aandacht, de sensorische informatieverwerking en het werkgeheugen, maar ook met het opslaan en terughalen van kennis. Wat hierbij opvalt is dat deze zaken vooral met de Executieve Functies te maken hebben.

De executieve functies (EF) zijn de regelfuncties van de hersenen en zijn gehuisd in het deel van de hersenen dat de prefrontale cortex heet. De belangrijkste zaken die de prefrontale cortex regelt zijn de emotionele executieve functies (motivatie, emotieregulatie en metacognitie) en de cognitieve executieve functies:

  • Het werkgeheugen zorgt ervoor dat je informatie kan onthouden bij het uitvoeren van complexe taken.
  • Inhibitie is de mogelijkheid om selectief de aandacht te richten en weerstand te bieden aan verleidingen en het betekent ook nadenken voordat je iets doet.
  • Planning is een plan maken om je doel te behalen en het heeft ook te maken met het kunnen onderscheiden van hoofd- en bijzaken.
  • Organisatie betekent het systematisch ordenen van informatie.
  • Flexibiliteit is het aan kunnen passen van je plan bij verandering en tegenslag.
  • Timemanagement betekent het in kunnen schatten en verdelen van tijd om zo het doel te behalen.
  • Taakinitiatie is het efficiënt starten van een taak, dus bijvoorbeeld zonder dralen en op tijd beginnen aan een taak.

Wanneer je uitgaat van een sensorisch informatieverwerkingsprobleem en een asynchrone ontwikkeling van de hersenen, kun je mogelijke verklaringen geven voor moeilijkheden bij een aantal van deze zaken. Doordat sensorische informatie minder goed gefilterd wordt en alle prikkels dus even belangrijk lijken, kan het werkgeheugen problemen krijgen met het onthouden van informatie tijdens het uitvoeren van complexe taken. Ook heeft over- of onderprikkeling een effect op het richten en behouden van aandacht (inhibitie) en het systematisch ordenen van informatie (organisatie) zodat hoofd- van bijzaken kunnen worden onderscheiden (planning). Deze laatste punten, alsmede timemanagement, hebben ook betrekking op zaken waar de linkerhersenhelft goed in is en de rechterhersenhelft minder. Door moeilijkheden met deze punten, kan het regelmatig chaos opleveren in het hoofd, waardoor het moeilijker is om aan een taak te beginnen en flexibel te reageren wanneer dat nodig is. Het terughalen van informatie (geheugen) daarentegen lijkt juist weer een sterker punt te zijn bij veel autisten.

SPRAAK- EN TAALONTWIKKELING

Taalontwikkeling is het begrijpen (passief) van taal en spraakontwikkeling is het gebruiken (actief) van taal. Een baby leert taal eerst begrijpen, voordat het taal (verbaal) gaat gebruiken. Doordat gesproken taal een zeer moeilijk motorisch proces is, duurt het relatief lang voordat een kindje gaat praten in verhouding tot het begrijpen. Een baby is echter al eerder in staat tot het produceren van gebaren, omdat dit minder gecompliceerde motorische vaardigheden vergt dan praten en een baby al heel vroeg de motorische vaardigheden van armen en handen oefent. Wanneer er moeilijkheden zijn met de sensorische informatieverwerking, de (ondergestimuleerde) linkerhersenhelft en de (fijn)motorische ontwikkeling, kan dat impact hebben op de spraakontwikkeling, hoewel het dus niet perse van invloed hoeft te zijn op de taalontwikkeling. Het begrijpen van taal kan dus veel sterker ontwikkeld zijn bij een persoon dan het produceren van taal.

Bij het leren van taal maar evengoed bij het leren van allerlei andere dingen, is een mens enerzijds afhankelijk van de leerstijl, leertactieken en leerstrategieën en anderzijds van hoe iets aangeboden wordt. Aangezien leren nogal gericht is op ‘stapje voor stapje’, kan dit nogal botsen met het holistische zijn van mensen met autisme. En omdat een baby met autisme een zwakkere linkerhersenhelft heeft, kan het gebeuren dat informatie te vroeg wordt aangereikt, waardoor er stappen worden overgeslagen die voor de ontwikkeling wel noodzakelijk zijn.

SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING

De sociaal-emotionele ontwikkeling wil zeggen het leren omgaan met anderen (sociaal) en de eigen emoties (emotioneel). Zowel de motorische ontwikkeling als de cognitieve ontwikkeling zijn van invloed op de sociaal emotionele ontwikkeling en andersom. Sociale vaardigheden (en dus de sociale ontwikkeling) worden je bijgebracht door de omgeving. Emoties hangen samen met je temperament.

Het reguleren van emoties en inzicht hebben in de situatie en het eigen handelen hebben, net als motivatie, te maken met de (emotionele) executieve functies.

  • Motivatie betekent het formuleren van doelen en ernaar toe werken.
  • Emotieregulatie wil zeggen de emoties en het gedrag onder controle hebben.
  • Metacognitie is het overzien en evalueren van jezelf en de situatie.

Wanneer je uitgaat van een sensorisch informatieverwerkingsprobleem en een asynchrone ontwikkeling van de hersenen, kun je mogelijke verklaringen geven voor moeilijkheden bij een aantal van deze zaken.

Voor motivatie moet je niet alleen het doel en de rode lijn zien, maar ook stappen kunnen bedenken om hiernaar toe te werken, waardoor er ook nauw samengewerkt moet worden met de cognitieve EF’s. Omdat de linkerhersenhelft beter is in het bedenken van stappen dan de rechterhersenhelft, kan het zijn dat het moeilijk is om motivatie voor iets op te brengen, maar ook om de juiste stappen te bedenken. De emotieregulatie kan lastig zijn, doordat de sterker ontwikkelde rechterhersenhelft gericht is op emoties. De emoties worden vaak heftiger ervaren dan bij andere mensen. Dat betekent ook dat de regulatie moeilijker wordt. Wanneer dan ook nog alles even hard of zacht binnenkomt door de verstoorde informatieverwerking, kan over- (of onder-)prikkeling ervoor zorgen dat er teveel tegelijk gebeurt, waardoor emoties minder goed in de hand gehouden kunnen worden.  Wanneer alle prikkels even hard binnenkomen en je moeite hebt om hoofd- en bijzaken te onderscheiden kan het lastig zijn om de situatie te overzien en wat voor invloed je eigen handelen heeft op de situatie. Het evalueren kan dan ook lastig zijn. Behalve moeilijkheden met de sensorische informatieverwerking, de emotionele EF’s en de asynchrone ontwikkeling van de hersenen, speelt communicatie een grote rol bij de sociaal emotionele ontwikkeling. Wanneer de omgeving je de sociale vaardigheden aanleert en de daarbij horende emotieregulatie, moet je met elkaar kunnen communiceren. Wanneer er moeilijkheden zijn met de communicatie heeft dit dus direct invloed op de ontwikkeling van de sociaal-emotionele vaardigheden.

VAN COMPLEXITEIT NAAR (ZELF)STIGMA

Wanneer je uitgaat van een normale (hersen)ontwikkeling is autisme een complexe aandoening, omdat àlles anders verloopt dan in theorie is uitgeschreven en vertrouwd is. Het gegeven dat communicatie daarbinnen een grote rol speelt, maakt het extra complex. Niet alleen voor mensen die geen autistisch brein hebben, maar evengoed voor mensen met autisme want ook zij (wij) leren wat normaal is. Mijn inziens is autisme complex wanneer niet wordt begrepen wat autisme in essentie is,  en wanneer de extreme prikkelgevoeligheid, verkeerd wordt uitgelegd. Iets waardoor vervelende aannames ontstaan die vervormen tot (zelf)stigma. Iets dat niet bijdraagt aan leren te leven in een wereld die niet geënt is op het autistische brein. Het wordt minder complex als je het vergrootglas legt op de prikkelgevoeligheid, de over- en ondergevoeligheden uit elkaar rafelt en oplossingen verzint. En wat betreft het (zelf)stigma? Dat zal ooit wel eens verdwijnen door een heldere kijk op wat autisme werkelijk is.

Wilma van Galen

Bovenstaande tekst komt grotendeels uit het boek “Duidelijk autistisch” waarin ik mijn ervaring en visie weerspiegeld zag. Het is te vinden op http://duidelijkautistisch.nl/ 

error: Content is protected !!